Aankondiging

Samenvouwen
Nog geen aankondiging momenteel

De structuur van de ruimte

Samenvouwen
Dit onderwerp is gesloten.
X
X
 
  • Filter
  • Tijd
  • Toon
Alles wissen
nieuwe berichten

    De structuur van de ruimte

    Dit onderwerp komt uit "Black light, oftewel CQM-cosmologie". Dit topic is veel te lang geworden - en te verwarrend - zodat het opnieuw wordt begonnen en tegelijkertijd wordt gesplitst in dit onderwerp en het eigenlijke "black light power" onderwerp.
    De splitsing in 2 onderwerpen omdat het nogal verwarrend is als het onderwerp over "black light power" wordt vertroebeld door posts over "de structuur van de ruimte".
    De bedoeling is dat beide topics nogal zakelijk zijn en zich beperken tot relevante zaken. Dus geen opsommingen van 'tig links die maar vaag enige relatie hebben en algemene opvattingen die eigenlijk in een nieuw - of een oud - onderwerp thuishoren.
    Deze "kale" mededeling is uiteraard geen stimulerend begin en daarom heb ik de nu volgende post uit CQM gekopieerd.

    #2
    Laten wij een gezamenlijk uitgangspunt kiezen: figuur 1.1. Het figuur geeft alle bestaande “gezichtspunten” weer om de werkelijkheid van het object en zijn omgeving te beschrijven. En voor ons zijn mogelijkheid II en mogelijkheid IV de belangrijkste gezichtspunten. Mogelijkheid II omdat ons wetenschappelijk wereldbeeld op deze wijze opgebouwd schijnt te zijn (ik schrijf “schijnt” omdat uit tal van wetenschappelijke publicaties blijkt dat dit wereldbeeld beslist niet consequent wordt gehanteerd). Mogelijkheid IV omdat dit het meest omvattende referentiekader is. En het “dogma” van de wetenschappelijke vooruitgang luidt dat het meest omvattende referentiekader ook het juiste referentiekader is…



    Wat voor wetenschappelijke zekerheden heeft mogelijkheid II ons tot nu toe gebracht? En daarmee bedoel ik geen wetenschappelijke “vergezichten” in een oratie maar experimentele gegevens waar een theoretische onderbouwing voor nodig is. En onder deze theoretische onderbouwing verstaan wij uiteraard een causale verklaring die steunt op een onderliggende causale verklaring of - uiteindelijk - op een zeer beperkt aantal aannames, die uiteraard weer afgeleid moeten zijn van algemene kenmerken in de natuur want anders is het “boerenbedrog”.

    Goed, daar gaan wij dan.
    * Waarom is werking op afstand mogelijk?
    * Wat is energie?
    * Waarom bestaat de Wet tot behoud van energie?
    * Waarom is de snelheid van het licht constant?
    * Waarom gaat de invloed van de zwaartekracht ook met de lichtsnelheid?
    * Waarom bewegen alle natuurkundige fenomenen?
    * En wat is eigenlijk de tijd?
    * Wat is de oorsprong van krachten (sterke kracht; zwaartekracht; etc.)?
    * Waarom zijn gelijke deeltjes onderling identiek?
    * Waarom komen quarks niet in vrije toestand voor?

    Deze bovengenoemde 10 fenomenen zijn allemaal experimenteel vastgesteld, maar er is geen enkele causale verklaring voor. Allemaal ook aardige gespreksstof voor op een moeizaam verjaardagsfeestje. Maar als tussenresultaat van eeuwenlang wetenschappelijk onderzoek door hele “volksstammen” natuurwetenschappers is het toch een tikkeltje magertjes. Want valt er eigenlijk wel één fundamentele vraag te verzinnen over de werkelijkheid van de natuurkundige fenomenen waar de wetenschap een causale verklaring voor heeft? Een moeilijke kwestie…
    Waarom moet het allemaal zo moeizaam gaan? Omdat het gros van de natuurwetenschappers gewoon te dom is voor dit werk? Een hele verleidelijke gedachte voor niet-wetenschappers maar helaas niet erg realistisch. Maar als dat de oorzaak niet is, wat is het dan? Tja, een filosoof zou de oorzaak zoeken in de verkeerde uitgangspunten en wellicht in een gedeeltelijk onjuiste onderzoeksmethodiek. Natuurwetenschappers daarentegen vluchten in plannen waar meer middelen nog betere experimenten mogelijk moeten maken die uiteindelijk de weg naar alle antwoorden zullen plaveiden.

    Dit voorgaande relaas alleen maar om duidelijk te maken dat de zoektocht naar een meer realistische benadering van de werkelijkheid geen gril is of een “opleukertje”, maar bittere noodzaak omdat de natuurwetenschappen zich op het gebied van de grote vragen al ettelijke tientallen jaren in een crisis bevinden (grotere en meer geavanceerde apparaatjes en databanken vol gegevens zijn geen norm voor het meten van wetenschappelijk diepgang).
    Maar goed, voor ons is natuurlijk alleen de vraag belangrijk wat mogelijkheid IV ons te bieden heeft.



    Mogelijkheid IV plaatst ons in eerste instantie voor grote problemen want als de omgeving van een object en het object zelf voortkomen uit hetzelfde oorzakelijke principe (= bron) dan zijn beiden op de een of andere manier aan elkaar gelijk. En waarom kan het object zich dan “vrij” ten opzichte van zijn omgeving bewegen? Want een object zien wij als stevig, het heeft volume, het bezit een vorm en deze vorm blijft behouden als de omstandigheden niet al te ingrijpend veranderen. De omgeving van het solitaire object daarentegen is heel anders. Een solitair object bevindt zich in een vloeistof, een gas of zelfs in het luchtledige (soms simpelweg in de ballenbak bij Ikea).
    En als deze omgeving eigenlijk identiek is aan het object, dan hebben wij onmiddellijk een probleem met ons voorstellingsvermogen. Want hoe kan alles dan bewegen? Waarom ziet alles er dan voor onze ogen heel anders uit dan die onderliggende werkelijkheid, mogelijkheid IV?

    In de bovenstaande afbeelding zien wij een hypothetisch heelal dat volledige homogeen is. Dit heelal heeft inwendig dus geen enkele structuur en de enige manier waarop dit heelal zou kunnen veranderen, is onder druk van een externe invloed, zoals primitief weergegeven in de bovenstaande afbeelding. Als wij dus zouden veronderstellen dat mogelijkheid IV betrekking heeft op een volledig homogene ruimte dan kunnen wij dat nu wel vergeten. Want hoe voortdurende beweging bijvoorbeeld in de bovenstaande afbeelding zou moeten functioneren, valt niet te doorgronden. Wij gaan dus kijken naar die andere mogelijkheid: een heelal waarvan het inwendige volume structuur bezit.

    Als wij het over structuur hebben, wat bedoelen wij dan eigenlijk precies?
    Nou, in de allereerste plaats is de aanwezigheid van een duidelijk patroon binnen een min of meer “zelfstandige eenheid” voor ons aanleiding om daar het woord “structuur” aan te verbinden. Bijvoorbeeld de zaadjes in het hart van een zonnebloem. Maar ook aan het grillige patroon aan het oppervlak van een rots of de verschillende onderdelen binnen een ééncellige verbinden wij de betekenis “structuur”. “Structuur” betekent dus eigenlijk dat wij veronderstellen dat iets is opgebouwd uit kleinere eenheden. En in het dagelijkse leven zijn dat ongelooflijk veel onderliggende eenheden (cellen, bacteriën, sporen, organische en anorganische moleculen, etc., etc.). Op het niveau van het allerkleinste – de primaire bouwstenen van de materie – wordt het gevarieerde aanbod al heel beperkt en ontdekken wij bovendien dat er een onderliggende mechanisme ten grondslag ligt aan alle fenomenen want materie blijkt simpelweg omgezet te kunnen worden in energie en visa versa. Getuigt het dan van heldere logica als wij denken dat de oorsprong van alle natuurkundige fenomenen als enige uitzondering geen structuur zal bezitten? Nee, die veronderstelling is een weinig serieuze gedachte.

    De ruimte bezit dus structuur en omdat er buiten mogelijkheid IV geen andere werkelijkheid bestaat, kunnen wij niets anders doen dan veronderstellen dat de ruimte één grote allesomvattende verzameling is van… tja, allemaal kleine deeltjes ruimte natuurlijk. Want hoe kunnen wij anders dit enorme volume structuur geven? Dat kan toch alleen door de ruimte te beschouwen als één enorme verzameling die opgebouwd is uit eenheden? En uiteraard is het begrip “element” uit de verzamelingenleer volledig van toepassing op één zo’n klein stukje ruimte.
    In de onderstaande figuur proberen wij ons alvast een voorstelling te maken van zo’n ruimte die is opgebouwd uit kleine stukjes ruimte. En omdat een verzameling kubussen de ruimte geheel kan vullen, is in de afbeelding een denkbeeldig deel van de ruimte opgebouwd uit een aantal kubusvormige elementen.



    Uiteraard zijn die elementen qua volume allemaal aan elkaar gelijk want een systeem dat bestaat uit ongelijke basis-eenheden functioneert sowieso niet. (Ben je niet overtuigd? Probeer dan maar eens een huisje te bouwen met Lego-steentjes als ieder Lego-steentje “nokjes” van verschillende grootte heeft en overeenkomstige “uitsparingen” waar deze nokjes in moeten passen.)
    De bovenstaande figuur “straalt” weinig beweging uit. En ook al behoeven wij niet te twijfelen aan de juistheid van een qua grootte gelijk volume, het is duidelijk dat dit ene kenmerk onvoldoende basis is voor het heelal zoals wij dat kennen. Wat sowieso ontbreekt, is het vermogen van ieder element om te veranderen. En omdat wij toch ook een beetje zitten met de vraag waarom een element volume heeft, ligt het voor de hand om te veronderstellen dat ieder element een inwendige kracht bezit die de bron is van dat volume, èn tegelijkertijd ook de veroorzaker is van die voortdurende verandering.
    De bolvorm is dominant in ons heelal en het ligt voor de hand om te veronderstellen dat de inwendige kracht van het element een bolvormende kracht is.
    [Dat hoef je niet voetstoots aan te nemen! Ga zelf de zaak onderzoeken en veronderstel bijvoorbeeld een piramidevormende kracht of een kubusvormende kracht. Probeer het uit en kijk of zo’n kenmerk tot een vorm van voortdurende verandering kan leiden tussen alle elementen onderling. Maar realiseer je wel dat de 3 algemene kenmerken van alle natuurkundige fenomenen het volume, de voortdurende verandering en de bolvorm zijn.]

    Wat er gebeurd als je een heelal vult met elementen die deze kenmerken hebben, vind je uitgebreid beschreven en getekend in het hoofdstuk “Volkomen symmetrie” uit http://www.xs4all.nl/~phia/de%20structu ... ruimte.pdf
    Wat is nu het bijzondere van deze 3 kenmerken? Als je daar goed over nadenkt dan ontdek je dat het heelal weliswaar is opgebouwd uit eenheden met een paar identieke kenmerken, maar dat de scheidingslijnen tussen de verschillende grootschalige fenomenen helemaal niet “buiten” de elementen lopen omdat deze zich binnen ieder element bevinden. En dit bijzondere gegeven zorgt er voor dat elementen onderling onafgebroken kunnen vervormen. In de onderstaande afbeelding een verduidelijking.



    Uit het linker Venn-diagram zou je kunnen opmaken dat binnen de allesomvattende verzameling (Σp) sommige elementen het zwaartekrachtveld vormen (ΣZ), anderen het Higgsveld (ΣH) en de overigen het electromagnetisch veld (ΣE). Maar het rechter Venn-diagram geeft duidelijk aan dat voor ieder p binnen de verzameling geldt dat het zwaartekrachtveld, het Higgsveld en het electromagnetisch veld deel van p uitmaken. De middelste figuur geeft één element in doorsnede weer – vanuit een bepaalde kijkhoek gezien – en het Higgsveld is het grijze deel dat met een 2 is aangegeven, het zwaartekrachtveld is het lichtblauwe deel van het volume (4), terwijl het electromagnetisch veld donderblauw is gekleurd (5).
    Je moet er maar eens goed over nadenken want deze scheiding van secundaire kenmerken binnen de elementen is essentieel voor de onafgebroken verandering van de ruimte (= heelal).

    In het voorgaande hebben wij het niet gehad over de wijze waarop beweging in de vorm van relatief zelfstandige natuurkundige fenomenen mogelijk is. En om concreet te blijven: hoe is het mogelijk dat een bewegend object een zelfstandig fenomeen lijkt dat schijnbaar onafhankelijk van zijn omgeving bestaat?



    In de bovenstaande afbeelding zien wij in de onderste figuur een rij dominostenen getekend. De bovenstaande figuur geeft dezelfde rij dominostenen weer maar nu op het moment dat een deel juist bezig is om te vallen. Verder links in de rij liggen alle dominostenen “plat”, rechts in de rij staan de dominostenen recht overeind. Beide statische toestanden laten ons – toeschouwers – volkomen Siberisch. Maar de plek waar de recht overeind staande dominostenen beginnen te vallen, volgen wij met onze ogen alsof het een zelfstandig voorbewegend fenomeen is, in plaats van steeds nieuwe dominostenen die omvallen.
    En als alle elementen in ons heelal voortdurend van vorm veranderen - de wankele evenwichtssituatie rond de maximaal bereikbare symmetrie van de inwendige bolspanning – dan oefenen zij onderling druk of spanning op elkaar uit en deze druk of spanning verplaatst zich analoog aan de omvallende dominostenen. Wij – grootschalige natuurkundige fenomenen – maken dus nooit en te nimmer “fysiek” deel uit van de elementen, wij zijn slechts de zich verplaatsende onderlinge spanningen tussen de elementen in de ruimte, analoog aan die vallende dominostenen.

    Dus waarom moet het ons eigenlijk verwonderen als de ruimte op een min of meer analoge wijze als die vallende dominostenen alle natuurkundige fenomenen vormt? Dit mechanisme achter de relatieve beweging is absoluut niet verbazingwekkend of bijzonder. Er is zelfs geen discussie mogelijk over de vraag of de relatieve beweging “qua energie” wel mogelijk kan zijn want de primaire kenmerken van ieder element garanderen dit (een qua grootte gelijkblijvend volume en een qua grootte gelijkblijvende inwendig bolspanning).



    De bovenstaande figuur stelt een deel van een denkbeeldige verzameling voor waarbinnen de samenstellende delen kubussen zijn, zoals de derde afbeelding van boven. Dit alles om te laten zien wat er gebeurt binnen een verzameling die de gehele ruimte vult als één element een kenmerk wijzigt zonder dat alle andere elementen dit tegelijkertijd ook doen. Wat deze figuur – weliswaar schematisch - laat zien, is dus in werkelijkheid volslagen onmogelijk. En uit dit gegeven kunnen wij een aantal wetmatigheden afleiden…

    De inwendige bolspanning van de elementen kan nooit een evenwichtssituatie bereiken ten koste van de omringende elementen omdat de inwendige bolspanning van ieder element qua grootte identiek is. Alle elementen binnen de allesomvattende verzameling veranderen dus onafgebroken synchroon van vorm en omdat deze vormveranderingen plaatsvinden bij gelijkblijvend volume betekent dit de verplaatsing van volume van het ene raakvlak naar het andere raakvlak (staat allemaal keurig beschreven in het hoofdstuk “Volkomen symmetrie”). Het bovenstaande figuur drukt ons dus met de neus op het feit dat deze volumeverplaatsing voor ieder element binnen de allesomvattende verzameling even groot moet zijn en gelijktijdig voor alle elementen binnen de verzameling moet plaatsvinden (synchroon dus).
    Maar wij weten uit onze grootschalige zintuiglijke wereld dat “tijd” een andere naam is voor (periodieke) verandering. En dan is de benodigde gedachtesprong maar heel klein om in te zien dat deze gelijkmatige verplaatsing van volume in het heelal niets anders kan zijn dan datgene wat wij mensen “tijd” noemen. [Voor de duidelijkheid: het begrip “tijd” uit de relativiteitstheorieën van Einstein betreft de veranderingen tussen de waarneembare natuurkundige fenomenen onderling. Einstein heeft nooit een theorie ontwikkeld over het mechanisme achter de tijd.]



    In de bovenstaande afbeelding zien wij in de linker figuur – in doorsnede – een element met een deel van de 12 aanliggende element (de vorm van ieder element is een 12-vlak). De 3 primaire velden zijn uiteraard zichtbaar (Higgsveld, electromagnetisch veld en zwaartekrachtveld) en de vervorming van de verplaatsing van volume van het ene raakvlak naar het andere raakvlak is met pijlen aangegeven in de middelste figuur, een enkel element zonder dat de omliggende elementen zijn getekend.
    Dit onafgebroken verplaatsen van steeds eenzelfde hoeveelheid volume vinden wij schematisch terug in het rechter figuur alhoewel hier voor de overzichtelijkheid kubussen zijn getekend in plaats van de eigenlijke elementen. Kortom: wij “tellen” simpelweg de toe- of afname van de gelijke volume-eenheden in ieder raakvlak ten opzichte van de situatie dat ieder raakvlak in de “neutrale” stand zou staan (een volkomen recht raakvlak). En de relatieve verplaatsing van één volume-eenheid van element naar element geeft die bekende illusie van de snelheid van voortbeweging. Voor de verplaatsing van een enkele volume-eenheid is dit de bekende lichtsnelheid: een fundamentele eigenschap die overal binnen de allesomvattende verzameling identiek is en waar een simpele causale verklaring aan ten grondslag ligt.

    Veranderingen binnen de allesomvattende verzameling van mogelijkheid IV komen dus tot stand op basis van de inwendige bolspanning van ieder element. En dankzij het feit dat ieder element door de omliggende elementen inwendig is verdeeld in 3 van elkaar te onderscheiden volumes zullen de volumeverplaatsingen leiden tot een grote gevarieerdheid in de spanningen tussen de elementen onderling: onze welbekende zintuiglijke wereld. Dit leidt bij ons tot verwarring want terwijl de inwendige bolspanning van ieder element de enige bron van verandering is, veronderstellen wij door de verschillende verschijningsvormen dat energie iets ondoorgrondelijks is. Maar energie is dus niets anders dan het verschil in bolspanning in het raakvlak tussen 2 elementen. En of het nu gaat om het Higgsveld, het electromagnetisch veld of het zwaartekrachtveld, de relatieve verplaatsing van volume-eenheden zijn gebonden aan de synchrone vervorming van alle elementen: de lichtsnelheid.



    De bovenstaande grafiek geeft de vervorming in een enkel raakvlak van een element weer bij steeds verdere volumeverplaatsing en de getekende “energieput” valt simpelweg af te leiden uit de meetkundige eigenschappen van het vervormde raakvlak. Dankzij deze energiedrempel vallen de “pieken” in de locale vervorming niet na verloop van tijd terug naar het gemiddelde niveau maar blijven in stand (stabiele locale vervorming). De splitsing van een atoomkern in 2 of meer delen resulteert dus uiteindelijk altijd in stabiele configuraties. Het beeld dat de fysica heeft van stabiele deeltjes – opgebouwd uit nog kleinere stabiele deeltjes in de vorm van quarks – is moeilijk houdbaar. De elementen uit de allesomvattende verzameling hebben een bepaald volume en er bestaat een grens aan de deelbaarheid van de materie.
    De toevoer van steeds meer energie tijdens botsingsproeven schept steeds meer deeltjes met rustmassa maar dit zijn geen samenstellende delen van de stabiele deeltjes. De grafiek laat overduidelijk zien dat er geen basis is voor hypothetische “subdeeltjes”.

    Goed, het voorgaande geeft hopelijk wat meer duidelijkheid. De 10 vragen aan het begin zijn grotendeels uitgebreid beantwoord en daarmee hoop ik verduidelijkt te hebben dat het raadzaam is om mogelijkheid IV “bloedserieus” te nemen. Want mogelijkheid II is echt een doodlopende weg! Er zit geen behoorlijke logica achter, de bestaande natuurkundige theorieën vormen een lappendeken van aan elkaar geknoopte verbanden waar de causaliteit van een onderliggend referentiekader volledig aan ontbreekt.

    Commentaar


      #3
      Origineel geplaatst door ~Henk~
      Laten wij een gezamenlijk uitgangspunt kiezen: figuur 1.1. …
      Dat figuur is nogal essentieel in je gehele verhaal, dus daarom even van mijn kant de vraag: kan je een legenda voor het figuur geven? Wat stellen de figuren en de kleuren precies voor? De cirkel, is dat een waarnemer? De kleuren, welke betekenis hebben die? Als uitgangspunt van de discussie moet zo'n figuur een juiste betekenis hebben, lijkt mij.

      Commentaar


        #4
        De vermelde link bevat de gevraagde informatie. De kleur is niet van belang, evenals de vormgeving. Gesteld wordt dat de cirkel een fictief bolletje is dat een object vertegenwoordigd; de ruimte binnen een vierkantje de omgeving van het object. De aanwezigheid van het lichtblauwe raster betekent dat het betreffende deel werkelijkheid is. De achterliggende gedachte is uiteraard dan onze zintuiglijke waarneming berust op dit onderscheid tussen object en omgeving van het object en zoals je weet stuurt onze zintuiglijke waarneming ons voorstellingsvermogen.
        Ook de analytische benadering van de natuurkundige fenomenen door de fysica berust op dit zintuiglijke onderscheid tussen object en de omgeving van het object (vooral de deeltjes fysica).
        I = object geen werkelijkheid, omgeving geen werkelijkheid;
        II = object is werkelijkheid, de omgeving niet;
        III = object is geen werkelijkheid, de omgeving wel;
        IV = object is werkelijkheid, omgeving ook.

        Commentaar


          #5
          Het is geen desinteresse dat ik binnen dit onderwerp niet meer post, maar ik wilde een tijdje aankijken of het onderwerp "speelde". Dat doet het duidelijk niet en het lijkt mij dan ook verstandig om dit onderwerp maar een stille dood te laten sterven.

          Commentaar


            #6
            Origineel geplaatst door ~Henk~
            Het is geen desinteresse dat ik binnen dit onderwerp niet meer post, maar ik wilde een tijdje aankijken of het onderwerp "speelde". Dat doet het duidelijk niet en het lijkt mij dan ook verstandig om dit onderwerp maar een stille dood te laten sterven.
            Mee eens. Ik miste overigens in je eerste post een link naar de verklaring van dat figuur. Maar ik geloof niet dat de overige forumleden zitten te springen om een verlenging van deze discussie.

            Commentaar


              #7
              AdrianusV, de link stond in de tweede post http://www.xs4all.nl/~phia/de%20stru...e%20ruimte.pdf
              Voor wie zich "benadeeld" voelt door het gebrek aan verdere posts binnen dit onderwerp: ik heb een webblog geopend via mijn provider http://blogger.xs4all.nl/phia. Moet alles eerst nog uitproberen en heb het heel druk op mijn werk, dus verwacht de eerste maanden niet te veel.

              Commentaar

              Werken...
              X